Planschade

Passieve risicoaanvaarding bij uit te werken bestemmingen: is de kogel door de kerk?

24 sep 2019

Een van de laatste nog openstaande rechtsvragen op het gebied van planschade is onlangs door de Raad van State beantwoord: kan passieve risicoaanvaarding worden tegengeworpen bij het wegbestemmen van een uit te werken bestemming?

Het ontbreken van een uitwerkingsplan als belemmering voor initiatieven?
Anders dan bij “eindbestemmingen” kan op basis van een uit te werken bestemming (met bijbehorend bouwverbod) normaliter geen omgevingsvergunning voor het bouwen worden verleend. Daardoor (b)leek het “wegbestemmen” van uit te werken bestemmingen voor bijvoorbeeld woningbouw in verband met gewijzigde economische en demografische omstandigheden voor gemeenten een hachelijk avontuur, omdat de grondeigenaar wellicht met succes zou kunnen betogen dat hij door het bouwverbod “niet in staat was de aanwendingsmogelijkheden te benutten” en aanspraak zou kunnen maken op planschade. Om deze reden bleven, vaak jarenlang, vanwege planschaderisico oude uit te werken bestemmingen als een molensteen om de nek van de betrokken gemeenten hangen.

Raad van State hakt een knoop door
In de uitspraak ABRvS 21-8-2019, ECLI:NL:RVS:2019:2799 (Sittard-Geleen) heeft de Afdeling een antwoord gegeven op de vraag, wat van een grondeigenaar verwacht mag worden indien er signalen zijn dat de uit te werken bestemming zal komen te vervallen. Het antwoord pakt voor gemeenten gunstig uit, getuige de kernoverweging (onderstreping SAOZ):

“wederpartij] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij, in de periode van 24 februari 2011 tot 21 februari 2013, de onder het oude planologische regime nog bestaande bebouwingsmogelijkheden van de percelen buiten haar toedoen niet tijdig heeft kunnen veiligstellen. Dat een deel van de gronden van de percelen een uit te werken bestemming had, zodat [wederpartij] voor dat deel geen directe bouwtitel had, leidt niet tot een ander oordeel. Daarvoor is van belang dat het college een uitwerkingsplicht had, waarbij de aanvaardbaarheid van de uit te werken bestemming in beginsel gegeven was, zodat het college slechts had te beoordelen of de inrichting van het uitwerkingsplan in overeenstemming was met de uitwerkingsregels en, voor zover de uitwerkingsregels daartoe de ruimte laten, met een goede ruimtelijke ordening. (…) [wederpartij] had het in haar macht het college te bewegen aan de uitwerkingsplicht te voldoen door het indienen van een aanvraag tot het vaststellen van een uitwerkingsplan.”

Gevolgen voor de praktijk: kansen en valkuilen
De uitspraak “Sittard-Geleen” neemt een belangrijk struikelblok weg voor het wegbestemmen van uit te werken bestemmingen, maar niet alle. Het leerstuk van de passieve risicoaanvaarding kan ook op andere onderdelen nog “roet in het eten gooien”. Te denken is aan de omstandigheid dat er (nog) geen signalen over het wegbestemmen naar buiten zijn gebracht, of over andere omstandigheden die de eigenaar ontslaan van diens verplichting om een benuttingspoging te doen (bijvoorbeeld bij verhuurde of verpachte grond).

Het zonder planschadegevolgen wegbestemmen van overbodig geworden uit te werken bestemmingen is dus een stap dichterbij gekomen, maar per geval blijft het maatwerk waarbij SAOZ gemeenten kan helpen.

Meer weten?! Neem dan contact op met Kees van der Lee.

Deel dit bericht