Planvorming

Vrees voor het ontstaan van gezondheidsschade kan leiden tot planschade

12 dec 2018

Op 14 november jl. heeft de Afdeling in twee uitspraken overwogen dat de gestelde vrees voor het ontstaan van gezondheidsschade in deze situaties, niet als een subjectieve beleving of onbestemde angst kan worden afgedaan.

Nuancering van de eerdere lijn

In de praktijk wordt de vrees voor gezondheidsschade regelmatig naar voren gebracht. In de overzichtsuitspraak van ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582, Zutphen, overwoog de Afdeling hierover dat de onbestemde angst van toekomstige kopers voor gezondheidsrisico’s als gevolg van een planologische maatregel geen rol speelt in de planologische vergelijking.

In vergelijkbare zin oordeelde de Afdeling in de uitspraak 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1712, Montferland, waarin het ging om de bouw van een extra stal voor circa 3.000 vleesvarkens. Expliciet is overwogen dat zowel in de planvergelijking als bij de vaststelling van een eventuele waardevermindering van een onroerende zaak, slechts de ruimtelijke gevolgen en de objectief te verwachten overlast van een bestemming relevant zijn.

In de uitspraken ABRvS 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3691 Helmond en ECLI:NL:RVS:2018:3692 Geldrop-Mierlo is voorgaande lijn genuanceerd. Het ging in deze zaken om de planologische mogelijkheid van een combinatiehoogspanningslijn. Hierbij waren de planologisch maximale mogelijkheden ruimer dan hetgeen feitelijk was verwezenlijkt. Voorts is er inmiddels sprake van op rijksniveau ontwikkeld beleid ten aanzien van de langetermijneffecten van hoogspanningsverbindingen op de gezondheid. In beide uitspraken is gestart met de overwegingen uit de vaste rechtspraak en is verderop het volgende overwogen:

“Indien komt vast te staan dat het appartement onder een maximale invulling van het planologische regime in de zone van 0,4 microtesla komt te liggen, kan in het licht van het hiervoor uiteengezette beleid  niet staande worden gehouden dat een redelijk denkend en handelend koper dit niet zal meewegen bij zijn beslissing om de woning te kopen. In dat geval kan de gestelde vrees voor het ontstaan van gezondheidsschade als gevolg is van het wonen in de buurt van een hoogspanningslijn niet als een subjectieve beleving of onbestemde angst worden afgedaan. Dat het oorzakelijke verband niet vast staat, laat onverlet dat een statistisch significant verband tot het advies van de Gezondheidsraad heeft geleid om in verband met het voorzorgbeginsel een dergelijk beleid te voeren.”

Grondslag voor een planschadetegemoetkoming

Deze uitspraken betekenen dat de vrees voor gezondheidsschade niet langer kan worden afgedaan als een subjectief element dat zonder meer buiten beschouwing dient te worden gelaten. Nader onderzoek naar de relevante omstandigheden is noodzakelijk. Onder omstandigheden kan immers sprake zijn van een grondslag voor een tegemoetkoming in planschade ex artikel 6.1 Wro.

Gezondheidsschade-check in een “risicoanalyse planschade” of “risicotoets planschade”

Voor nieuwe ontwikkelingen is het daarom verstandig door middel van een “risicoanalyse planschade” of “risicotoets planschade” te laten onderzoeken of er een planschaderisico is te verwachten vanwege een gegronde vrees voor gezondheidsschade. Niet alleen bij hoogspanningsverbindingen, luchtverkeerswegen en veestallen worden dergelijke bezwaren naar voren gebracht. Ook bij antennemasten, zonneparken, windturbines, wegen en industrieterreinen wordt dit regelmatig opgeworpen.

Hierbij is van belang niet de feitelijk voorgenomen ontwikkeling te laten toetsen, maar de nieuwe maximale planologische mogelijkheden. Een specifieke inrichting kan weliswaar aanvaardbaar lijken, maar indien de planologische mogelijkheden veel ruimer zullen zijn, dient daarvan uit te worden uitgegaan.

Geen vrees voor onverwachte planschade

Op deze wijze hoeft niet te worden gevreesd voor onverwachte planschade, doordat een “gezonde” inschatting van het planschaderisico is gemaakt.

Meer weten?! Neem dan contact op met Yvonne de Looij.

Deel dit bericht