Planschade

Uit te werken bestemmingen terug bij af?

03 jul 2013

Na een periode van onzekerheid eindelijk meer duidelijkheid over de uitleg van uit te werken bestemmingsplannen. Zijn we weer terug bij af?

Redelijke invulling van globale uit te werken bestemmingsplannen

Onlangs is in LJN: BZ7707, ABRS 17-04-2013, Ridderkerk, 201205035/1/A2, voor een situatie waarbij met een besluit ex artikel 19 WRO werd afgeweken van een vigerend uit-te-werken-bestemmingsplan beslist, dat de maximale invulling van dit onderliggende bestemmingsplan mede wordt bepaald door de uitwerkingsregels van dit bestemmingsplan.

Opgelucht ademhalen?

Gemeenten kunnen hopelijk weer opgelucht ademhalen. Nog geen half jaar geleden werd in de uitspraak LJN-BY2475, ABRS, 7-11-2012, Rhenen, 201110908/1/A2, eveneens in een situatie waarbij met een besluit ex artikel 19 WRO wordt afgeweken van een uit-te-werken-bestemmingsplan anders beslist. In de casus Rhenen werd gesteld dat bij het bepalen van de maximale invulling van het uit-te-werken-bestemmingsplan de uitwerkingsregels buiten beschouwing dienden te worden gelaten.

Letterlijk toepassen van deze rechtsregel zou betekenen dat, aangenomen dat een uit-te-werken-bestemmingsplan in de regel ook een bouwverbod bevat, de situatie volgens het artikel 19 WRO bouwplan moet worden vergeleken met een situatie waarin bouwen niet is toegestaan. Resultaat is dan: – aanzienlijke – planschade.

Uit-te-werken-bestemmingsplannen, oorspronkelijk bedacht om ruimtelijk beleid op een flexibele wijze te implementeren, werden met één pennenstreek het (planschade)zwaard van Damocles. Met de nieuwe uitspraak Ridderkerk wordt thans toch betekenis gegeven aan de uitwerkingsregels van een uit-te-werken-bestemmingsplan. Met als resultaat dat planschade wordt gematigd.

Redelijke invulling van uit-te-werken-bestemmingsplannen


De uitspraak Ridderkerk ziet op een situatie waarbij een besluit ex artikel 19 WRO wordt vergeleken met een onderliggende planologische situatie dat is vastgelegd in een uit-te-werken-bestemmingsplan. De overwegingen van de Afdeling ter zake de betekenis die dient te worden gegeven aan uitwerkingsregels zijn echter universeel.

Ondanks artikel 6.1 tweede lid aanhef onder a van de Wro leiden wij uit de uitspraak Ridderkerk af dat de Afdeling ook in een situatie dat het uit-te-werken-bestemmingsplan zelf het schadeveroorzakende besluit zou zijn betekenis geeft aan de uitwerkingsregels.

Anders dan volgens het oude recht beslist de Afdeling echter dat de uitwerkingsregels niet “maximaal” maar “redelijk” moeten worden uitgelegd. Wat “redelijk” is dient onder meer te worden afgeleid uit de uitwerkingsregels, de toelichting bij het bestemmingsplan en aan de mate waarin een en ander, naar aard en omvang, binnen de ruimtelijke kenmerken van de omgeving en het geldende planologische beleid past.

Een uitleg dat niet altijd even eenvoudig is. De Afdeling overweegt daarom ook niet voor niets uitdrukkelijk dat het college bij de uitleg van een uit-te-werken-bestemmingsplan een onafhankelijke deskundige dient te raadplegen.

Terug naar flexibele planvorming
Met de uitspraak Ridderkerk is er (voorlopig) weer enige rust in planschadeland. De Afdeling heeft duidelijke handvatten gegeven voor de beoordeling van aanvragen om tegemoetkoming in (indirecte) planschade waarbij in de planvergelijking een uit-te-werken-bestemmingsplan is aan te wijzen.

Ten aanzien van directe planschade, welk aspect wij niet in deze nieuwsbrief hebben besproken, blijft het echter oppassen met uit-te-werken-bestemmingsplannen. De aanbeveling om een deskundige te betrekken bij de uitleg van uit-te-werken-bestemmingsplannen dient dan ook zo te worden gelezen dat het aanbeveling verdiend om die deskundige ook al aan de overlegtafel te brengen in het stadium van het kiezen van de bestemmingsplanvorm.

Meer weten?! Neem dan contact op met Paulo Schreiber.