Nadeelcompensatie

Standplaatsen en nadeelcompensatie

30 mrt 2016

Een regelmatig, wat onderbelicht onderdeel van de adviespraktijk is de kwestie van nadeelcompensatie bij het wijzigen of opzeggen standplaatsvergunningen.

Omdat SAOZ recentelijk over dit onderwerp een aantal vragen kreeg, kan de aloude vraag worden geparafraseerd: standplaatsen en nadeelcompensatie; waar uw gulden een daalder waard is?

Toepasbaarheid stelsel van nadeelcompensatie
De eerste vraag die beantwoord dient te worden, is de vraag of en zo ja waarom het stelsel van nadeelcompensatie van toepassing kan zijn bij het beoordelen van schadeclaims als gevolg van wijzigingen van standplaatsvergunningen.

Op zichzelf is dit niet zo ingewikkeld. Volgens vaste rechtspraktijk (zie ook artikel 4.126. van de nog in te voeren Wet nadeelcompensatie) kent een bestuursorgaan een benadeelde desgevraagd een vergoeding toe indien dat bestuursorgaan in de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak schade veroorzaakt die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico en die de benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft.

Het komt in de praktijk regelmatig voor dat een bestuursorgaan een verleende standplaatsvergunning wijzigt dan wel intrekt.

Het moge duidelijk zijn dat een dergelijke wijziging dan wel intrekking dient te worden aangemerkt als een (in beginsel) rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid.

Dit betekent dat naar aanleiding van een dergelijk besluit (dat uiteraard voor bezwaar en beroep vatbaar is) een verzoek om schadevergoeding kan worden ingediend. Dit verzoek dient vervolgens als een verzoek om nadeelcompensatie te worden behandeld (zie onder meer ABRS 27 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ2645).

Bijzondere aspecten bij de schadebeoordeling
Naar aanleiding van het bovenstaande dient een verzoek om schadevergoeding vanwege het intrekken of wijzigen van een standplaatsvergunning dus in het kader van het stelsel van nadeelcompensatie beoordeeld te worden. Er wordt om een besluit gevraagd, namelijk een (zuiver of onzuiver) schadebesluit.

Dit betekent dat in beginsel alle gebruikelijke eisen die behoren bij een zorgvuldige voorbereiding en besluitvorming van een dergelijk schadebesluit van toepassing zijn. Indien het bestuursorgaan een nadeelcompensatieregeling heeft vastgesteld, dient het verzoek overeenkomstig de procedurele bepaling van deze regeling te worden behandeld. Maar ook als er geen sprake is van een nadeelcompensatieregeling, is het van groot belang dat het schadebesluit deugdelijk wordt gemotiveerd (zie onder meer ABRS 3 juni 2015 ECLI:NL:RVS:2015:1716).

Bij de afwikkeling van een verzoek om schadevergoeding bij standplaatsen kunnen diverse bijzondere aspecten aan de orde zijn.

In procedurele zin speelt vaker dan gebruikelijk de wens van de benadeelde om de omvang en de vergoedbaarheid van de schade reeds bij het schadeveroorzakend besluit te betrekken.

De benadeelde vraagt dan als het ware om een onzuiver schadebesluit, zijnde een besluit waarin gelijktijdig wordt beslist over de schadeoorzaak en de vergoedbaarheid van eventuele daaraan toe te rekenen schade.

Hoewel dit geen verplichting is (zie ABRS 3 juni 2015 ECLI:NL:RVS:2015:1716) en in de regel het beter is om de schadebeoordeling in een apart (zuiver) schadebesluit te vervatten, kan het bij standplaatsen in sommige gevallen verstandig zijn om dit toch te doen.

Immers, een dergelijke all-in-one beoordeling kan bijdragen aan het draagvlak van de beslissing.

In materiële zin valt bij het beoordelen van schadeclaims als gevolg van het intrekken van een standplaatsvergunning op dat er soms sprake kan zijn van enig voortgezet gebruik, het aanbieden van een alternatieve locatie en/of het bepalen van een kapitalisatiefactor.

Deze aspecten kunnen vaak aanzienlijke consequenties hebben voor de schadebeoordeling.

Een vaak in de praktijk voorkomende situatie is dat standplaatsvergunningen formeel voor bepaalde tijd worden verleend (vaak 1 jaar) en dus ieder jaar opnieuw moeten worden aangevraagd en verleend. Het komt evenwel even zo vaak voor dat het opnieuw verlenen van een standplaatsvergunning een zodanig automatisme is dat de benadeelde soms al vele tientallen jaren achter elkaar (bijna ambtshalve) een vergunning verleend heeft gekregen. Een dergelijke situatie kan van invloed zijn op de rechtspositie van de benadeelde en dus op de kapitalisatiefactor van de schade.

Als er een alternatieve locatie wordt aangeboden, dient bij de schadebeoordeling te worden betrokken of deze nieuwe locatie qua rendement wel of niet gelijkwaardig is aan de oude locatie. Ook dit kan van invloed zijn op de schadebeoordeling.

Ten slotte komt het regelmatig voor dat een vergunninghouder, na het intrekken van de vergunning, nog (soms geruime) tijd voortgezet gebruik kan maken van de standplaats alvorens hij deze feitelijk moet verlaten (zie ABRS 4 juni 2014 ECLI:NL:RVS:2014:1987).

Standplaatsvergunningen en nadeelcompensatie in de praktijk
Uit het bovenstaande kan worden opgemaakt dat bij het intrekken c.q. wijzigen van standplaatsvergunningen aanzienlijke financiële belangen van de vergunninghouder betrokken kunnen zijn.

Het is, mede in verband met het draagvlak van de besluitvorming, maar ook met het oog op het minimaliseren van procesrisico’s, van belang dat het bestuursorgaan -bij voorkeur- reeds bij de voorbereiding van het besluit om de vergunning in te trekken, te wijzigen of niet meer te verlenen, hieraan ruime aandacht schenkt.

Hetzelfde geldt voor de uiteindelijke beoordeling van een verzoek om schadevergoeding van een voormalige standplaatshouder. De procedurele en materiële aspecten die bij een dergelijke beoordeling betrokken zijn, kunnen complex zijn.

Hierbij komt dat met betrekking tot de besluitvorming op een dergelijk verzoek om schadevergoeding de processuele connexiteit is gegeven, zodat de rechtsbescherming via de (laagdrempeligere) bestuursrechter gevonden kan worden.

Meer weten?! Neem dan contact op met Peter van Bragt.