Normaal maatschappelijk risico

Normaal Maatschappelijk Risico bij planschade blijft de gemoederen bezig houden

30 mrt 2016 • Kees van der Lee

In de afgelopen periode zijn er weer diverse uitspraken gedaan waarin het normaal maatschappelijk risico een belangrijke rol speelde. Een analyse van de uitspraken wijst uit dat de beoordeling van het normaal maatschappelijk risico casuïstisch is, en dus moeilijk voorspelbaar blijft.

Jurisprudentie in beweging

Met name sinds de uitspraak ABRS 1 juli 2015 “Mook en Middelaar” (ECLI:NL:RVS:2015:2071) werd in de praktijk uitgegaan van de veronderstelling, dat de toe te passen aftrek wegens normaal maatschappelijk risico de neiging had hoger te worden, tot een drempel van wel 5%. Nadien echter zijn uitspraken verschenen, waarin lagere drempels zijn toegepast of waarin zelfs is teruggevallen op de forfaitaire 2%-drempel van artikel 6.2 lid 2 Wro. Het uiteindelijke resultaat blijft in individuele gevallen afhankelijk van een toetsing aan alle door de Afdeling bestuursrechtspraak ontwikkelde beoordelingscriteria, luidend:

  • Betreft het een “normale maatschappelijke ontwikkeling die in de lijn der verwachtingen” lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang, plaats en moment van realisering?
  • Past de ontwikkeling in de ruimtelijke structuur van de omgeving?
  • Past de ontwikkeling in het door de gemeente gevoerde planologische beleid?
  • Wat is de afstand van de ontwikkeling tot de onroerende zaak?
  • Wat is de omvang van het door de ontwikkeling veroorzaakte nadeel?
Toets aan alle NMR-criteria blijft belangrijk

In de uitspraak ABRS 9 september 2015 “Best” (ECLI:NL:RVS:2015:2828) werd bijvoorbeeld volstaan met een drempel van 3% omdat in dat geval “de ontwikkeling had geleid tot een wijziging van de stedenbouwkundige structuur, de omvang van de ontwikkeling niet klein genoemd kan worden en het woonklimaat van [appellanten], mede door de afstand van de ontwikkeling tot de woningen, wordt aangetast”. Nadien bleek uit de uitspraak ABRS 25 november 2015 “Oirschot” dat het tot dan toe niet van groot gewicht geachte criterium “past de ontwikkeling in het door de gemeente gevoerde planologische beleid?” ook cruciaal voor de beoordeling kon zijn. In het geval “Oirschot” (ECLI:NL:RVS:2015:3608) had volgens de Afdeling de gemeente namelijk “niet aannemelijk gemaakt dat deze ontwikkeling binnen het door de gemeente gevoerde planologische beleid past”. De consequentie die de Afdeling daaraan verbond was, dat de ontwikkeling om die reden “niet in de lijn der verwachtingen lag” waardoor “slechts het forfaitair normaal maatschappelijk risico van 2%, als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, van de Wro, op de door [appellant] geleden planschade van toepassing is“.

Mook en Middelaar: geen “witte raaf”

De uitspraken “Best” en “Oirschot” brengen niet met zich mee, dat de eerdere uitspraak “Mook en Middelaar” als een “witte raaf” beschouwd moet worden. Nog altijd is het in beginsel mogelijk, dat na toetsing aan alle NMR-criteria een toch “pittige” schade van rond de 5% geheel voor rekening van de aanvrager kan worden gelaten. Dat ondervonden de planschade-aanvragers in de zaak  ABRS 2 maart 2016 “Zundert” (ECLI:NL:RVS:2016:530). In deze zaak overwoog de Afdeling:

“Bij waardevermindering van een onroerende zaak als gevolg van een normale maatschappelijke ontwikkeling, zoals woningbouw op een inbreidingslocatie in een woonkern, waarbij die woningbouw in de lijn der verwachtingen lag, is een waardevermindering tot vijf procent van de waarde van de onroerende zaak, in verhouding tot de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk vóór het ontstaan van de schade, substantieel, maar niet zodanig zwaar dat deze schade niet voor rekening van de aanvrager kan worden gelaten. Dit betekent dat een waardevermindering tot vijf procent van de waarde van de onroerende zaak in deze categorie gevallen in beginsel tot het normale maatschappelijke risico van de aanvrager behoort. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2015 in zaak nr. 201407170/1/A2 [appellant A] en anderen hebben geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die rechtvaardigen dat in hun geval een uitzondering op dit uitgangspunt wordt gemaakt”.

Maatwerk blijft noodzakelijk

Uit de hiervoor behandelde uitspraken blijkt, dat de beoordeling van het normaal maatschappelijk risico maatwerk is en blijft. Een zorgvuldige beoordeling van het normaal maatschappelijk risico voorkomt “uitglijders” in de besluitvorming. SAOZ houdt de ontwikkelingen nauwgezet bij…

Meer weten?! Neem dan contact op met Kees van der Lee.

Deel dit bericht