Planschade

Gelijkheidsbeginsel en Normaal Maatschappelijk Risico

20 jun 2018

Bij de advisering over de toemeting van het normaal maatschappelijk risico baseert de adviseur zich in beginsel op de stand van het recht ten tijde van het uitbrengen van het (concept)advies. Recentelijk heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in twee kort na elkaar verschenen uitspraken het normaal maatschappelijk risico getoetst aan het gelijkheidsbeginsel, met een verrassende uitkomst!

Planschadeuitspraken 7 maart 2018 (Castricum) en 28 maart 2018 (Haaren)

In de uitspraken ABRS 7 maart 2018, Castricum, ECLI:NL:RVS:2018:778 en ABRS 28 maart 2018, Haaren, ECLI:NL:RVS:2018:1050 heeft de Afdeling bepaald dat het gelijkheidsbeginsel er aan in de weg staat om met betrekking tot een planologische maatregel aanvragers verschillend te behandelen met betrekking tot het normaal maatschappelijk risico. De kernoverweging uit de uitspraak “Haaren” luidt:

“[appellant sub 2] heeft verder ter zitting onweersproken gesteld dat het college in drie vergelijkbare zaken het normaal maatschappelijk risico heeft bepaald op 2% van de waarde van het betrokken perceel voor het ontstaan van de schade. Niet in geschil is dat de onder 11.3 bedoelde criteria in het geval van [appellant sub 2] niet leiden tot toepassing van een hogere drempel wegens het normaal maatschappelijk risico dan in die andere zaken. Het college heeft geen rechtvaardiging gegeven voor het gemaakte onderscheid en het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling. Dat betekent derhalve dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door in het geval van [appellant sub 2] een hogere aftrek dan het wettelijk forfait te hanteren.”

Gevolgen voor lopende en afgeronde procedures

Indien en voor zover momenteel nog planschadeprocedures lopen (in de fase van besluitvorming, bezwaar of (hoger) beroep), dan kan de geschetste lijn van de uitspraken consequenties hebben voor de uitkomst van de procedure indien in meer recente gevallen een hogere aftrek wegens normaal maatschappelijk risico is toegepast dan in eerdere gevallen. Zeker als de procedure nog niet verder is dan de bezwaarfase is het aannemelijk, dat het advies c.q. het te nemen besluit heroverwogen moet worden. Voor procedures die zich in het stadium van beroep bevinden is van belang, of de “ongelijke” toemeting van het normaal maatschappelijk risico één van de beroepsgronden is.

Daar waar planschadeprocedures inmiddels onherroepelijk afgerond zijn (bijvoorbeeld omdat de betrokken aanvragers niet in bezwaar zijn gegaan of omdat in beroep niet is geageerd tegen de toemeting van het normaal maatschappelijk risico) is juridisch gezien aanpassing van de besluitvorming niet noodzakelijk. In dergelijke gevallen zal mogelijke “druk” eerder uit bestuurlijk/politieke hoek kunnen komen.

Een goede inventarisatie van mogelijke gevallen waar deze problematiek speelt is zeker aan te raden. De SAOZ is graag bereid om “mee te denken”!

Meer weten?! Neem dan contact op met Kees van der Lee.

Deel dit bericht