Nadeelcompensatie

Verfijning van de verjaringsregels bij nadeelcompensatie

09 okt 2018

In haar uitspraak van 22 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2764) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een interessante nadere verfijning gegeven van de verjaringsregels bij nadeelcompensatie.

Verjaringsregels in de nadeelcompensatiepraktijk
In het stelsel van nadeelcompensatie wordt bij het beantwoorden van de vraag of het recht om een schadeclaim in te dienen is verjaard, aansluiting gezocht bij de verjaringsregeling van het Burgerlijk wetboek. Dit betekent dat de mogelijkheid om een verzoek om nadeelcompensatie in te dienen verjaart vijf jaar nadat de aanvrager bekend had kunnen zijn met de schade en de veroorzaker daarvan, zie het eerste lid van artikel 3.310 BW.

Uitspraak Tracéwet
In het onderhavige geval was sprake van een verzoek om nadeelcompensatie op basis van artikel 22 van de Tracéwet. De minister had het schadebesluit voorbereid met toepassing van haar eigen beleidsregels nadeelcompensatie, waarin de bepaling is opgenomen dat het recht om een verzoek om nadeelcompensatie in te dienen verjaart indien een periode van 5 jaar na het onherroepelijk worden is verstreken. Het verzoek om nadeelcompensatie is vervolgens om die reden afgewezen.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan deze (op zich logische) gevolgtrekking evenwel niet sanctioneren. Primair oordeelt de Afdeling dat in de Tracéwet geen verjaringsbepalingen zijn opgenomen en dat de Beleidsregel nadeelcompensatie niet kan worden aangemerkt als een regeling van het derde lid van artikel 22 Tracéwet, zodat de (verjarings)bepalingen daarvan niet bij de besluitvorming betrokken hadden mogen worden. Vervolgens formuleert de Afdeling een aantal interessante uitgangspunten en criteria.

Verjaringstermijn vangt aan bij kenbaarheid met de schadeoorzaak en -veroorzaker
De Afdeling oordeelt dat voor de aanvang van de verjaringstermijn vereist is dat een benadeelde bekend is met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon en daadwerkelijk in staat moet zijn om ook een rechtsvordering ter zake in te stellen. Daarvoor dient hij voldoende zekerheid te hebben dat hij de betrokken schade lijdt of zal lijden.

Onderhandelingen met derden kunnen de verjaringstermijn verlengen
Met betrekking tot de gestelde permanente schade overweegt de Afdeling dat de verjaringstermijn eerst is gaan lopen op het moment dat duidelijk werd dat de onderhandelingen met de gemeente ’s-Hertogenbosch niet zouden leiden tot verplaatsing van haar bedrijf. Immers, eerst op dat moment werd voor haar duidelijk dat zij schade zou lijden doordat haar bedrijf minder zichtbaar zou worden als gevolg van het Tracébesluit en de minister diende aan te spreken om haar tegemoet te komen in de schade die de verminderde zichtbaarheid met zich zou brengen. Nu deze onderhandelingen tot begin 2012 hebben geduurd, is de verjaringstermijn pas vanaf begin 2012 gaan lopen, en moet het verzoek van 13 mei 2015 geacht worden op tijd te zijn ingediend, aldus de Afdeling.

Wat betekent dit voor de praktijk?
Het stelsel van nadeelcompensatie is een dynamisch domein, dat blijkt ook wel weer uit deze uitspraak waarin de Afdeling op een relatief onbekend criterium toch weer een nadere verfijning weet aan te brengen. Een verfijning die naar mijn mening ook logisch en verdedigbaar is. Evenzo interessant zijn de expliciete overwegingen (de extra uitleg) van de Afdeling dat met deze uitspraak niet teruggekomen wordt op eerdere rechtspraak; dus inderdaad uitsluitend als een verfijning moet worden aangemerkt.

De invloed op de praktijk is dan ook niet wereldschokkend, maar de aanvullende beoordelingselementen kunnen de kwaliteit van een adviesprocedure en het besluitvormingstraject wel verbeteren.

Wilt u meer weten?! Neem dan contact op met Peter van Bragt.

Deel dit bericht