Claim afhandeling

Beoordelingsregime planschade 49 WRO c.q. 6.1 Wro zegt niets over de te maken planvergelijking

20 jun 2012

Er zijn nog steeds planschadeaanvragen in behandeling waarbij de vraag wordt gesteld welk beoordelingsregime van toepassing is (artikel 49 WRO (oud) dan wel artikel 6.1 Wro). Opvallend is dat in de procedures regelmatig wordt miskend dat het beoordelingsregime op zichzelf beschouwd geen uitsluitsel geeft over de wijze waarop de onderscheiden planologische besluiten maximaal moeten worden ingevuld.

Behandeling planschadeaanvragen volgens het oude dan wel het nieuwe recht
Is een planschadeaanvraag ingediend vóór 1 juli 2008 dan dient de aanvraag te worden beoordeeld volgens het recht ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Aanvragen naar aanleiding van planologische maatregelen die onherroepelijk zijn geworden vóór 1 september 2005 dienen eveneens te worden beoordeeld volgens het recht ingevolge artikel 49 WRO mits de aanvraag is ingediend vóór 1 september 2010.

Schijnbare verwarring over maximale invulling van planologische besluiten
Uit de rechtspraak blijkt dat er verwarring bestaat over de toepassing van het beschreven overgangsrecht (ex artikel 9.1.18 IWro jo artikel II leden 2 en 3 wijzigingswet WRO 2005).
In bijvoorbeeld de uitspraak LJN:BV8070, ABRS 7-3-2012, Landerd, 201109830/1/A2 overweegt de ABRS (r.o. 2.5 en 2.5.1) dat de Rechtbank terecht heeft overwogen dat de aanvraag moet worden beoordeeld volgens het recht ingevolge artikel 6.1 Wro, omdat de aanvraag in de periode tussen 1 juli 2008 en 1 september 2010 is ingediend en het nieuwe bestemmingsplan vóór 1 september 2005 in werking is getreden, maar ná die datum onherroepelijk is geworden.

Volgens artikel 6.1 Wro worden binnenplanse vrijstellingen (ex artikel 15 WRO = ontheffingen 3.6 Wro = afwijking Artikel 2.1 lid 2 onder c Wabo) gezien als zelfstandige grondslagen voor tegemoetkoming in de planschade. Binnenplanse vrijstellingen / ontheffingen / afwijkingen dienen bij de beoordeling van de maximale invulling van bestemmingsplan volgens het regime 6.1 Wro dan ook buiten beschouwing te worden gelaten.

Nu lijkt het of de ABRS in de beschreven casus Landerd met zoveel woorden zegt dat bij de maximale invulling van het betreffende nieuwe bestemmingsplan de binnenplanse vrijstellingen gelet op artikel 9.1.18 IWro ‘dus’ buiten beschouwing dient te worden gelaten.

Het is aannemelijk dat partijen met een beroep op de uitspraak Landerd c.q. met een verwijzing naar artikel 9.1.18 IWro zullen proberen te stellen dat een door de planschadebeoordelaar gemaakte planvergelijking onjuist zou zijn. Zeker tijdens een planschadeprocedure bij de rechter dient op een dergelijke stelling adequaat te worden gereageerd om te voorkomen dat ten onrechte een (tussen)vonnis wordt gewezen, waardoor tijd en geld wordt verspild.

Artikel 9.1.18 Invoeringswet Wet Ruimtelijke ordening zegt niets over peildatum planvergelijking
Discussie is overbodig want schijn bedriegt. De wetgever heeft immers nergens aangekondigd de intentie te hebben gehad om de peildatum voor beoordeling van de maximale invulling van planologische besluiten, dat volgens bestendige jurisprudentie is gesteld op de datum van inwerkingtreding van het schadeveroorzakende besluit, te wijzigen.

In de uitspraak LJN-BO3474, ABRS, 10-11-2010, Son en Breugel 1, 201004620/1/H2 had de ABRS al bevestigd dat in een te maken planologische vergelijking in het kader van een aanvraag om tegemoetkoming in de planschade van belang is vast te stellen wat de planologische mogelijkheden kunnen zijn op de datum van inwerkingtreding van het schadeveroorzakende planologische besluit (vgl. LJN-AF2900, ABRS, 15-1-2003, Tynaarlo, 200200342/1). Dit uitgangspunt is andermaal herhaald in LJN:BW0802, ABRS 4-4-2012, Waddinxveen, 201110096/1/A2.

Partijen kunnen met verwijzing naar de aangehaalde jurisprudentie de discussie over de manier waarop de onderscheiden planologische regimes (oud en nieuw) maximaal moeten worden ingevuld snel in het juiste perspectief plaatsen.

Niets nieuws onder de zon; maar toch goed om te weten
In de aangehaalde uitspraak Landerd is met de opmerking dat “het nieuw recht” van toepassing is, als beschreven in artikel 9.1.18 IWro jo artikel II, tweede lid van de Wijzigingswet WRO 2005, alleen gerefereerd naar de regeling van verjaring (artikel II, tweede lid van de Wijzigingswet WRO 2005) en de regeling van het normaal maatschappelijk risico (artikel 6.2 lid 1 resp. artikel 6.2. lid 2 Wro). In de manier waarop de onderscheiden planologische besluiten maximaal moeten worden ingevuld is er niets nieuws onder de zon.

Pogingen om met verwijzing naar het overgangsrecht de maximale invulling van planologische besluiten ter discussie te stellen kunnen simpel worden afgedaan met verwijzing naar de uitspraken Son en Breugel en Waddinxveen. Planschadeaanvragen kunnen daardoor sneller en met minder proceskosten worden afgedaan.

Meer weten?! Neem dan contact op met Paulo Schreiber.

Deel dit bericht